Gelukkig. We zijn gelukkig

Kijk onze zuiderburen eens goed zijn‘Het lijkt er op dat werkenden in de publieke sector meer waarde hechten aan de relatie met de medemens, dan aan de eigen ontwikkeling’. Esther Walstra schrijft dit naar aanleiding van een recente studie van adviesbureau Driessen naar het welbevinden van overheidsdienaren. Zo’n zinnetje intrigeert. Alsof relaties met anderen niet bijdragen aan je eigen ontwikkeling, denk je dan. Het is, om het in modern jargon te beschrijven, een aardig staaltje framing: je hebt mensen die andermans ontwikkeling voorop stellen en je hebt mensen die met hun eigen ontwikkeling bezig zijn.

Onbedoeld misschien wel openbaart het nieuwsberichtje het weerbarstige karakter van het overheidsimago: voor veel mensen is overheid iets dat buiten jezelf ligt. Oftewel, je krijgt kluiven op je bord die je zelf kunt oplossen, en er zijn er waarvoor je bij de overheid aanklopt. Zo’n redenering heeft wel iets. Ooit leerde ik deze definitie: de overheid doet, wat vrije krachten in de samenleving op dat moment niet zelf kunnen verhelpen. Of, zo werd er dan fijntjes toegevoegd, waarvan een meerderheid méént, dat die vrije krachten dat niet zelf aankunnen. ‘Digitaliseren’ is lekker: wij-zij, voor-tegen, overheid-publiek, van die dingen.  Zo kun je alles versimpelen. Maar, hoe zij de voetballer uit Betondorp het ook al weer: ‘Simpel is het moeilijkst’.

Problemen oplossen

Meerdere onderzoeken hebben aangetoond, dat bij beleidsmedewerkers juist de persoonlijke mogelijkheden om maatschappelijke vraagstukken op te pakken, de belangrijkste aanjagers zijn om te kiezen voor de publieke dienst. Powering and puzzling, dat drijft velen naar de publieke zaak. Het persoonlijke is publiek. Of omgekeerd. Toen ik in 2012 bij mijn promotie-onderzoek beleidsmakers vroeg naar de wijze waarop zij met omstreden opgaven omgingen, kreeg ik daarbij een aanvullend inzicht aangereikt: de meeste ondervraagden waren zich van die in elkaar grijpende persoonlijk-publieke motieven zelf niet of nauwelijks bewust – en zeker niet van de intensiteit ervan.

Steevast kwam uit de besproken cases naar voren, hoezeer het ambtelijk genieten steeg naarmate de omstandigheden ruimte boden om je tanden in die complexe opgaven te zetten. Bij die omstandigheden fungeerden drie ‘voorwaarden als een soort hefboom: 1) de ruimte voor reflectie (van intervisie tot ronduit vieren van lessen uit omstreden interventies), 2) de mate van sociale steun (is er iemand om mijn ongemak te delen?) en 3) het zicht op resultaat (oftewel: de feedback op je doen en (steeds meer) laten door de mensen die er toe doen). Ze ontkenden die probleemgerichtheid overigens ook niet. Wie bij de overheid werkt, houdt van problemen (oplossen).

Tegenbinding

Mocht er dus sprake zijn van een toenemend ambtelijk geluk, dan hoeft dat niet te verwonderen. Het was er altijd al en wordt steeds manifester. Het genieten of geluksbesef is wel een kwetsbaar issue. In het nieuwsbericht staat ook daarover een aardige zin. ‘Volgens Leo Bormans, auteur van onder meer ‘The World Book of Happiness’, zouden HRM’ers of leidinggevenden vaker moeten kijken naar wat medewerkers gelukkig maakt in hun werk: ‘Je daarop focussen biedt een veel interessantere richting dan het centraal stellen van probleemgevallen of klachten’.

Aardig is deze zin, omdat veel ambtenaren juist het problematische karakter van veel overheidsvoornemens en -interventies – en dus de bijbehorende klachten – niet alleen als iets negatiefs zien, maar als onmiskenbare en onmisbare bijvangst van publieke diensten. Wie macht uitoefent, heeft tegenmacht nodig. Of zoals Kees Schuyt dat zo mooi eens beschreef: bij alle aandacht voor verbinding, vergeten we dat tegenbinding ons wakker houdt.

Tevreden

‘Op dit moment heeft 60% de baan van zijn dromen en over het algemeen is de gemiddelde medewerker in de publieke sector dan ook erg tevreden met zijn of haar huidige baan’, vatte het ANP het onderzoek van Driessen vrijdag jl. samen: ‘Gemiddeld wordt deze beoordeeld met een 7,5. Van alle respondenten is 46% zelfs zó tevreden, dat zij ondanks één laatste kans om van baan te wisselen de huidige baan willen behouden. Degenen die wel van baan willen wisselen, blijven graag in de (semi) publieke sector werken’.  Gelukkig maar.

 

 

 

 

Guido Rijnja

Guido Rijnja (1960) is coordinator algemeen communicatiebeleid bij de Rijksvoorlichtingsdienst. Geboeid door vakmanschap en zeker dat van denkers, durvers en doeners in en om het openbaar bestuur. Geraakt door vermogen van de overheid om met weerstand om te gaan: 'Wie ergens tegen is, is ook ergens voor'.

1 reactie

  1. Leuk en herkenbaar dat zoveel goede ambtenaren hun dagelijks werkgeluk ontlenen aan het oplossen van (andermans) problemen.
    Toch zouden ze bij dat oplossen van die problemen wel eens wat vaker ook letterlijk het geluk van de burger voor ogen mogen houden. Nu wordt er nog te vaak verondersteld dat dit of dat de burgers wel gelukkiger zal maken, maar gebruik maken van het wetenschappelijk onderzoek naar geluk – of geluk op een wetenschappelijke manier gaan monitoren – zijn helaas nog ver te zoeken. De Erasmus Universiteit biedt nu een opleiding “Sturen op Geluk in het Publieke Domein” aan, een hele enkele overheidsdienaar heeft geluk in zijn doel of functie staan — maar waar blijft de rest?

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: