Het (on)gelijk van de FNV

Wat er ook zij van het loonakkoord – “sigaar uit eigen doos” of niet –,  drie van de vier centrales van overheidspersoneel (de CCOOP, de CMHF en het AC) hebben dit na raadpleging van hun leden bekrachtigd. Alleen de ACOP FNV vaart een eigen koers: een ramkoers welteverstaan. De centrale meent dat het loonakkoord zonder haar instemming ongeldig is en dreigt met een kort geding.  Fronsend las ik dit bericht. Wat zou de ACOP FNV nu toch kunnen aanvoeren om het akkoord van tafel te vegen?  Uit berichtgeving in de media maak ik op dat de centrale drie argumenten heeft voor haar bewering dat het loonakkoord niet rechtsgeldig is. Deze zijn echter niet allemaal – en misschien zelfs allemaal niet – kansrijk.

Argument 1: “Het loonakkoord kan alleen binnen de ROP tot stand komen”

De ACOP FNV voelt zich buitenspel gezet bij de totstandkoming van de onderhandelaarsovereenkomst. Volgens de centrale moeten dergelijke  afspraken worden gemaakt in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP). De ROP is specifiek voor bovensectorale aangelegenheden in het leven geroepen. Hierbij valt te denken aan wetgeving die ziet op het overheidspersoneel in het algemeen, zoals het initiatiefwetsvoorstel “Wet normalisering rechtspositie ambtenaren“ (hoewel hierover juist – ten onrechte – geen overleg is gevoerd in de ROP). De Pensioenkamer van de ROP is bevoegd om afspraken te maken over wijziging van de ABP-pensioenregeling. Daar is hier onder meer sprake van. Wat betreft het aanwenden van de vrijgevallen – en door de regering beschikbaar gestelde – gelden kan worden gerefereerd aan de nota van toelichting bij de RROP (Stb. 1997, 31):

“Wanneer sociale partners in de ROP zouden willen besluiten om gezamenlijk afspraken te maken over onderwerpen die eigenlijk behoren tot het domein van het sectorale arbeidsvoorwaardenoverleg, dan kan dat alleen met de instemming van alle sectorwerkgevers.”

Tot zo ver heeft de ACOP FNV dus gelijk. In de ROP hebben de vier centrales van overheidspersoneel zitting; ingevolge art. 1 lid 1 van de betreffende overlegregeling (RROP) is de minister van Binnenlandse Zaken verplicht om overleg te voeren met deze centrales, dus ook met de ACOP FNV. De wijze waarop de ACOP FNV is betrokken bij het overleg is cruciaal. Het eerste argument van de ACOP FNV is alleen kansrijk wanneer zij nooit in de gelegenheid is gesteld om mee te praten over het loonakkoord. In dit geval is de ACOP FNV zelf weggelopen van de onderhandelingstafel, en dus heeft de minister wel degelijk voldaan aan zijn overlegverplichting.

Argument 2: “Instemming van een meerderheid van de vakbondsleden is vereist”

Vervolgens stelt de ACOP FNV dat een arbeidsvoorwaardenakkoord in de publieke sector de instemming van de meerderheid van alle vakbondsleden behoeft.  Art. 1 lid 2 (tweede volzin) RROP luidt als volgt:

“Overeenstemming bestaat indien de helft of meer van het totale aantal stemmen voor het voorstel wordt uitgebracht, met dien verstande dat in ieder geval de meerderheid van de centrales van overheidspersoneel met het voorstel ingestemd moet hebben.”

In deze volzin is het zogeheten “meerderheidsvereiste” vervat. Hoewel dit niet expliciet staat vermeld in de RROP, kan uit de bijbehorende toelichting worden opgemaakt dat iedere centrale één stem heeft. Er is namelijk sprake van een akkoord als tenminste twee centrales instemmen, zoals hier het geval is. In het verleden is wel geopperd om rekening te houden met de omvang van de achterban van de centrales. Dit werd gezien als een “logische en realistische zaak”. Hier werd tegenin gebracht dat in de marktsector een cao kan worden gesloten met slechts één vakbond, ongeacht het aantal leden. Daarbij werd ook aangetekend dat ingeval van doorwerking van de ledenaantallen de belangen van minderheden te allen tijde beschermd moesten worden. Eén organisatie mocht niet de meerderheid van het totaal aantal stemmen hebben (Rapportage van de Werkgroep Aard, Structuur en Inhoud van het Overleg aan het Centraal Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, ’s-Gravenhage: oktober 1980, p. 7-8). Toch is destijds niet gekozen voor doorwerking van de ledenaantallen. Dat de uitwerking hiervan wrang aanvoelt voor de ACOP FNV – de centrale met de meeste leden – is begrijpelijk, maar maakt het argument niet minder onjuist.

Argument 3: “Er is geen open en reëel overleg gevoerd”

Het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg bij de overheid dient “open en reëel” te zijn. Dit vraagt een bepaalde opstelling van de overlegpartijen (zie ook Rb. (Pres.) ’s-Gravenhage 16 mei 1980, NJ 1980, 533).

De uitkomst mag bij geen der partijen bij voorbaat vaststaan; partijen moeten ernaar streven door middel van dialoog overeenstemming te bereiken; en partijen moeten rekening houden met elkaars gerechtvaardigde belangen.

Het lijkt erop dat de ACOP FNV meent dat door het bovensectorale loonakkoord geen open en reëel overleg in de diverse overheidssectoren zelf (zoals de sector Rijk, sector Defensie en sector Politie) meer mogelijk is. De uitkomst lijkt immers al vast te staan. Echter, de partijen die betrokken zijn bij het bovensectorale loonakkoord – de centrales van overheidspersoneel – zijn ook (indirect) de aangewezen overlegpartijen in het sectorale arbeidsvoorwaardenoverleg. Bovendien heeft minister Plasterk aangegeven dat “de loonruimteovereenkomst expliciet de ruimte laat aan de sociale partners om aan de sectorale tafels gezamenlijk te besluiten over een andere besteding van de vrijgekomen middelen”. Dit betekent dat indien op de juiste wijze overleg is gevoerd over het bovensectorale loonakkoord (zie ook argument 1), ook het dit argument wankelt. De ACOP FNV hekelt de wijze waarop overleg is gevoerd over het loonakkoord, namelijk het stellen van dwingende voorwaarden door het kabinet. Het overleg voorafgaande aan het loonakkoord was volgens de ACOP FNV dus niet open en reëel. Nu de drie andere centrales hier blijkbaar anders over denken en het  “startbod” hebben aanvaard, valt dit moeilijk hard te maken.  Hiermee sneuvelt ook het derde en laatste argument.

Hoe nu verder?

Liefde tussen vakbonden bekoeld”, kopte de Volkskrant in juli al treffend op haar website. Het is in het algemeen belang dat het georganiseerd overleg bij de overheid een zo representatief mogelijk karakter heeft en zo goed mogelijk functioneert. Dit laatste betekent dat  de toegelaten organisaties bereid zijn samen te werken. In dit licht zijn de ontwikkelingen van de afgelopen weken zorgwekkend, zeker met het oog op het initiatiefwetsvoorstel “Wet normalisering rechtspositie ambtenaren”, waarover de Eerste Kamer eind deze maand een oordeel zal vellen. De overheid zal de centrales – en de centrales elkaar – hard nodig hebben om de overgang naar het cao-stelsel soepel te laten verlopen.

Nataschja Hummel

Mr. N. (Nataschja) Hummel is als docent/onderzoeker sociaal recht verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam en doet promotieonderzoek naar normalisering van de militaire rechtspositie. Kort gezegd staat hierbij de vraag centraal in hoeverre de publiekrechtelijke aanstelling van militairen vervangen kan worden door een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst.

2 reacties

  1. Ipe van der Deen schreef:

    Met bovenstaande redenering begin ik erg benieuwd te worden naar de uitspraak in Kort Geding.
    De verhoudingen tussen de bonden staan nu op scherp, maar zo gaat dat nu eenmaal soms. Zo is er ook in het verleden wel stevige ruzie geweest tussen rijk en bonden. Wat soms helpt is onderhandelaars vervangen. Die kunnen een nieuwe relatie opbouwen.
    Zoals mevr. Hummel aangeeft is er ook al eens gesproken over hoe de meerderheid (in aantal leden) om moet gaan met de minderheid. Misschien zit daar wel een opening voor de relatietherapie die misschien nodig is. Dat zou kunnen betekenen dat de FNV (bond waar ik lid van ben) onderwerpen die de anderen willen bespreken ook op tafel laat komen.

  2. André Rodenburg André Rodenburg schreef:

    Drie vakbonden hebben – na het loonakkoord – op 10 september ook een cao-akkoord gesloten. Dit leggen ze nu aan hun leden voor: http://fd.nl/ondernemen/1118258/akkoord-over-cao-voor-rijksambtenaren

    De FNV geeft hier aan waarom zij niet mee tekent en het akkoord dan ook niet voorlegt aan haar leden. Behalve de ingreep in de toekomstige pensioenen ontbreekt ook reparatie van andere verslechteringen (ouderschapsverlof, mobiliteitskaart, ww-duur, uitzendwerk dat niet wordt omgezet in een vast contract):
    http://www.fnv.nl/sector-en-cao/alle-sectoren/overheid/het-overheidsakkoord-wat-is-de-prijs-en-waar-zijn-de-echte-banen/

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: